Thaise ingrediënten

Thaise ingrediënten

De Thaise voorraadkast van A tot Z

 

A

  • Acaciablad: De onvolgroeide, varenachtige blaadjes van de Acacia pennata. De blaadjes worden in de Zuidoost-Aziatische keuken verwerkt in soepen, curry’s, omeletten en roerbakgerechten.
  • Agar agar: Een bindmiddel gemaakt van zeewier. Het is smaak- en reukloos. In de Japanse keuken wordt het kanten genoemd. Wordt meestal in poedervorm verkocht. Belangrijkste verschillen met gelatine: agar agar is wel vegetarisch, heeft een veel sterkere bindkracht per gram, stolt al bij kamertemperatuur en hoef je niet te weken voor gebruik.
  • Amarant: Plant met rode pluimen. Hij wordt ook wel kattenstaart genoemd. De zaadjes van deze plant zijn meestal gedroogd te vinden bij de quinoa. Ze hebben een smeuïge structuur en een zachte, nootachtige smaak. Amarantzaad is bovendien glutenvrij. Ook de groene blaadjes zijn eetbaar en voedzaam. Als je die niet kunt vinden, is spinazie een goede vervanger.
  • Apenhaar: Gedroogd varkensvlees met een luchtige structuur. Het wordt gemaakt door mager varkensvlees op een lage temperatuur zachtjes te garen in een mengsel van sojasaus en suiker, tot het uit elkaar valt. Vervolgens wordt het vlees gedroogd. Daarna worden de draadjes vlees droog gebakken en gestampt/gemalen, net zolang tot er een volledig droge, suikerspin-achtige structuur ontstaat.
  • Arachideolie: Pindaolie. Het is een heldere lichtgekleurde olie die tot hoge temperaturen kan worden verhit. Dat maakt deze olie geschikt om mee te frituren of roerbakken. Te vervangen door zonnebloemolie.
  • Aubergine: In de Thaise keuken worden verschillende soorten aubergine gebruikt: lang en slank (meestal groen van kleur, met een compacte structuur die geschikt is om te roosteren of roerbakken, rond (groen, wit, geel of gestreept) en de kleine Thaise erwt-aubergine (zie daarvoor: Thaise (erwt)aubergine).

B

  • Bamboescheuten: De jonge uitlopers van de bamboeplant. Knapperig en fris van smaak, lekker om te wokken of bakken. Meestal verkocht in blikjes. In Thailand worden de bamboescheuten zowel geteeld als in het wild verzameld.
  • Bananenblad: Het blad van de bananenboom. De bladen zijn erg groot; je koopt ze in Nederland vaak in rondjes gesneden of in vierkante lappen. Je vindt ze in het koelvak of in de vriezer van de toko. Bananenblad wordt in Zuid- en Zuidoost-Aziatische keukens veel gebruikt om (vis)gerechten in te verpakken, voor ze gegrild of gestoomd worden. Het houdt de inhoud lekker smeuïg. Bananenblad is zelf niet bedoeld om op te eten: het ziet er mooi uit, maar als je het niet kunt vinden, kun je ook gewoon bakpapier of aluminiumfolie gebruiken. Het bananenblad breekt minder snel als je het even weekt in heet water.
  • Bananenbloemen: De paarse knoppen van de bananenplant. Ze worden rauw verwerkt in salades, of meegekookt in curry’s.
  • Basilicum: In de Thaise keuken worden verschillende soorten basilicum gebruikt: citroenbasilicum, ‘heilige’ basilicum, kaneelbasilicum en Thaise zoete basilicum (ieder onder een apart kopje opgenomen in deze lijst).
  • Betelblad: Het blad van de betelpeper. De blaadjes zijn stug, hartvormig en glanzend groen. In Thailand wordt dit blad gebruikt om miang (een soort kleine sla-wrap) in te verpakken. Daarnaast wordt dit blad, vanwege de licht stimulerende werking, in heel Zuidoost-Azië gebruikt om op te kauwen.
  • Bird’s eye chili: Chilipeper. Wordt ook wel piri piri of rawit genoemd. Klein (2-3 centimeter), fruitig en zeer pittig (met een Scoville-index van 50.000 tot 100.000).
  • Bittere meloen: Deze groente heet niet voor niets zo, want smaakt echt ontzettend bitter. Ik heb dit eerlijk gezegd nog nooit echt lekker gegeten. Ziet eruit als een komkommer met wratten (ja, sorry). De zaden eet je niet, het gaat om de dikke schil. Die kun je verwerken in soepen en roerbakgerechten. Wordt ook wel sopropo genoemd.
  • Blimbing: Kleine, lichtgroene vruchten van de komkommerboom. Ze zijn licht bitter van smaak. De vruchten worden meestal gepekeld of in curry verwerkt. Wordt ook wel zure blimbing genoemd (om de tegenstelling aan te geven met de ‘zoete blimbing’, de carambola).

C

  • Cashewnoot: Zaad van de kasjoeboom.
  • Cha om: zie Acaciablad.
  • Chayote: Vrucht. De vruchten van deze klimplant zijn peervormig en felgroen. Het vruchtvlees is lichtgroen en smaakt komkommerachtig. Wordt gebruikt in soepjes of roerbakgerechten. De jonge scheuten en blaadjes van de chayoteplant worden in Thailand rauw gegeten in salades, of verwerkt in soepen en stoofschotels.
  • Chilipepers: In Thailand wordt vooral rawit gebruikt, de kleine pittige pepertjes (tot 3 centimeter). Je ziet ook de grotere Spaanse peper (tot 6 centimeter). Peperse worden zowel vers als gedroogd gebruikt.
  • Chinese bieslook: Een plant uit de lookfamilie. Je vindt hem ook wel onder de naam garlic chives. De blaadjes (of zijn het stengels?) zijn iets grover en breder/platter dan ‘gewone’ bieslook. De smaak neigt meer naar knoflook. Chinese bieslook wordt vaak in stukjes gebakken, bijvoorbeeld met varkensvlees of in een pannenkoekje. De jonge blaadjes zijn het lekkerst; oude en dikke stengels kunnen wat taai zijn.
  • Citroenbasilicum: Kruid, wordt in Indonesië ook wel kemangi genoemd. De blaadjes zijn mals en hebben een sterke citroensmaak. Ze worden in Zuidoost-Azië vooral gebruikt in (vis)curry’s, salades en gestoomde vispakketjes.
  • Citroengras: Lange, wit-groene stengel. Geeft een fris-kruidige, citroenachtige smaak aan gerechten. Bij de toko vind je het vers, bevroren (hele stengels en geraspt) en in poedervorm. Mooie verse stengels herken je aan hun lichtgroene kleur en stevigheid; als de stengels geel en droog/slap zijn, zijn ze oud. Je kunt vers citroengras bewaren in de koelkast, liefst in plastic gewikkeld om uitdrogen te voorkomen. Citroengras wordt meestal gekneusd en daarna in zijn geheel mee gestoofd in gerechten. Heel fijn raspen kan ook. Citroengras is, naast limoen en kaffirlimoen, één van de drie citroenachtige smaakmakers in de Thaise keuken.
  • Cow-tree-blaadjes: Deze boom komt in heel Thailand in laaggelegen bossen voor. De zure blaadjes worden vooral in de provincie Chanthaburi gebruikt in een lokale curry met varkensvlees. De blaadjes kunnen eventueel vervangen worden door andere zure blaadjes, zoals tamarinde. Ook de geraspte schil en het sap van de vruchten kan worden gebruikt om gerechten wat zuurder te maken.
  • Currypasta: Er zijn talloze soorten currypasta, maar in de basis bestaan ze meestal uit pepers, koriander, zout, peper, knoflook, sjalot en garnalenpasta. Er zijn drie ‘hoofdkleuren’: rood (op basis van verse rode pepers), groen (op basis van verse groene pepers) en geel (met kurkuma). Daarnaast is er nog de bekende massaman curry, die gemaakt wordt met een pasta waarin gedroogde specerijen (koriander, komijn en kardemom) zijn verwerkt.

D

  • Daikon: Groente. Grote witte radijs (+/- 30 tot 40 centimeter) met een milde smaak.
  • Dille: Kruid met een verfijnde smaak. Verse dille wordt vooral in Noord- en Noordoost-Thailand gebruikt. Het wordt op het laatst over gerechten gestrooid, omdat het zijn smaak verliest als het verwarmd wordt.
  • Doerian: Vrucht. De doerian is een inheemse Zuidoost-Aziatische vrucht, die in Thailand vooral in het oosten geteeld wordt. Een doerian kan groot worden, tot wel drie kilo. De goudbruine schil is stekelig en het vruchtvlees is lichtgeel van kleur. Over de geur en smaak lopen de meningen sterk uiteen: sommigen beschrijven het vruchtvlees als zacht, zoet en romig. Anderen (zoals ik) hekelen de penetrante, stinkende geur. In Singapore is het niet voor niets verboden om de doerian mee te nemen in hotels en het openbaar vervoer! Je eet hem uit het vuistje, of verwerkt in ijs, desserts e.d.

G

  • Garnalenpasta: Roze pasta gemaakt van kleine, gefermenteerde garnaaltjes. De geur en smaak zijn zeer krachtig. Garnalenpasta wordt in veel Thaise gerechten gebruikt als smaakmaker.
  • Gedroogde garnaal: Garnaaltjes worden gekookt en gepeld, en vervolgens in de zon te drogen gelegd. Ze worden gebruikt als ziltige smaakmaker in salades en curry’s.
  • Geroosterd rijstpoeder: Droog geroosterd poeder van (kleef)rijst. De rijst wordt in een droge pan getoast, waardoor het goudbruin wordt en een beetje nootachtig/popcornachtig gaat ruiken. Vervolgens wordt het vermalen tot een poeder. Je gebruikt het om over gerechten te strooien, om het wat extra knapperigheid en een getoaste smaak te geven. Geroosterd rijstpoeder wordt met name gebruikt in Isaan, een regio in Noordoost-Thailand. Het wordt ook wel khao khua genoemd.
  • Gember: Specerij, afkomstig van de wortelstok van de gemberplant. Vers en in poedervorm te koop. Ik ben dol op de verse variant: scherp, warm en verfrissend tegelijk. Als je verse gember koopt, let er dan op dat de schil glanst en niet te stug is. Als je een stuk afbreekt, moet het ‘knakken’; als het meer scheurt en de binnenkant er droog of erg vezelig uitziet, heb je waarschijnlijk een vrij oud stuk te pakken. 2 centimeter verse gember staat gelijk aan +/- 1 theelepel gember in poedervorm.
  • Glasnoedels: Ook wel glasvermicelli of cellofaannoedels (maar: het is wat anders dan miehoen). Ze worden gemaakt van zetmeel (meestal van mungbonen, maar iets anders zetmeligs kan ook). Als ze ‘droog’ zijn, zijn ze wit en springerig. Als je ze weekt, worden ze zacht en doorschijnend. Je kunt ze koud verwerken in een salade of warm in bijvoorbeeld een roerbakgerecht.
  • Groene mango: Onrijpe mango’s. Veel minder zoet dan rijpe exemplaren, eerder een beetje wrang en zuur. Ze worden in Zuidoost-Azië vaak fijngesneden in salades gebruikt.
  • Groene papaja: Onrijpe papaja. Hij is groen aan de buitenkant en rond of ovaal van vorm. Je eet hem meestal geschild en daarna geraspt, bijvoorbeeld in een salade (zoals de pittige papajasalade tom sam). In een curry kan ook. Rijpe papaja is weeïg zoet, een beetje zoals meloen. Groene onrijpe papaja is eerder een beetje wrang (net zoals groene mango).

H

  • Heilige basilicum: Lijkt op de ‘gewone’ Thaise basilicum, maar is iets minder uitgesproken van smaak. De geur doet denken aan kruidnagel en piment. In tegenstelling tot andere soorten basilicum, komt de smaak van heilige basilicum juist wél goed tot zijn recht als de blaadjes meegekookt worden. Het is vooral lekker met vis en zeevruchten.

J

  • Jackfruit: Grote vrucht (tot wel 30 kilo). Sterker nog: het is de grootste vrucht die aan een boom groeit. De vruchten zijn een beetje langwerpig, met een stekelige schil. Het vruchtvlees is weeïg zoet en zetmelig, niet heel uitgesproken van smaak. Er wordt van alles van gemaakt: sap, ijs, chips, et cetera. Onrijpe jackfruit moet gekookt worden, rijpe jackfruit kun je zo eten. Jackfruit wordt ook wel nangka genoemd.
  • Jicama: Wortelknol. Groot en bol van vorm. Jicama heeft een dunne lichtbruine schil, de binnenkant is wittig. Het vruchtvlees is licht zoet en knapperig (een beetje zoals waterkastanje). Je kunt het rauw eten of roerbakken. Dan komt de knapperige textuur goed tot zijn recht. Wordt ook wel yamboon genoemd. Jicama komt oorspronkelijk uit Zuid-Amerika, maar je ziet hem ook in Aziatische recepten.

K

  • Kaneelbasilicum: Een krachtig smakende soort basilium, met een vleugje kaneel. Deze soort wordt veel verwerkt in roerbakgerechten. De zaadjes van de kaneelbasilicum worden vooral in het noorden van Thailand als specerij gebruikt.
  • Kaffir lime: Een klein friszuur vruchtje. Zowel de vrucht als het blad wordt gebruikt om een citrusgeur- en smaak te geven aan gerechten. De blaadjes kunnen heel fijn gesnipperd over gerechten gestrooid worden voor een uitbundige citrussmaak. Minder verse blaadjes kun je beter mee stoven. Ook bekend als makrut of, in Indonesië, djeroek poeroet. Ingevroren te koop bij de toko, met een zakje kun je tijden vooruit.
  • Kardemom: Specerij. De peul van de kardemom wordt in currypasta’s gebruikt.
  • Kapie: Thaise garnalenpasta (vergelijkbaar met trassi).
  • Kleefrijst: Ook wel glutenrijst genoemd (al bevat rijst geen gluten). Doordat deze rijstsoort veel zetmeel bevat, blijven de korrels na het koken aan elkaar kleven. Wordt meestal gebruikt voor zoetigheid.
  • Knoflook: Wordt onder andere gebruikt in currypasta’s. In de Thaise keuken worden hele tenen knoflook met schil en al gefrituurd om de olie een knoflooksmaak te geven.
  • Koenjit: Ook wel bekend als kurkuma of geelwortel. In poedervorm en vers te krijgen. Geeft een licht aroma maar vooral een mooie gele kleur aan gerechten.
  • Kokos (geraspt): Het vruchtvlees van een rijpe kokosnoot (die bruine harige, niet het soort dat je met een rietje op straat koopt om leeg te drinken). Dit wordt geraspt en gedroogd. Meestal gebruikt voor zoetigheid. Ook de basis voor seroendeng, een mengsel van kokos en pinda’s dat over Indonesische gerechten gestrooid wordt.
  • Kokosmelk/-crème: Het vruchtvlees van kokosnoten wordt geweekt met water en uitgelekt. Bij de eerste “persing” is het heel dik en romig; dit is kokosroom of kokoscrème. Bij de tweede persing is iets vloeibaarder en minder vet, dat is de kokosmelk (ook wel santen of klappermelk genoemd).
  • Koriander (vers): In de Thaise keuken worden drie soorten koriander gebruikt: Mexicaanse koriander (met gekartelde blaadjes en een sterke smaak, vooral lekker in combinatie met vis), Vietnamese koriander (smaakt naar kruidige koriander met een vleugje citroen) en ‘gewone’ koriander.
  • Kousenband: Lange groene peulen (tot wel 30 centimeter). Ze worden verwerkt in roerbakgerechten of viskoekjes, of rauw gegeten met chilipasta.
  • Krab: In Thailand worden twee soorten krab gegeten: blauwe (soft shell) krab en de minder bekende rijstveldkrab. Blauwe krab wordt gevangen op het moment dat hij van schaal verwisselt en dus zacht is. Deze krabbetjes kun je daarom in hun geheel opeten.
  • Kurkuma: Specerij, ook wel bekend als geelwortel. In poedervorm en vers te krijgen. Geeft een licht aroma maar vooral een mooie gele kleur aan gerechten. In het zuiden van Thailand wordt deze wortel ook vers gebruikt om chilipasta’s een aardse, peperige smaak en een opvallend gele kleur te geven.

L

  • Laos: Specerij, ook wel galanga genoemd. Lijkt qua uiterlijk op gember, maar is lichter van kleur en frisser van smaak. Vers wordt hij meestal in dunne plakjes gesneden of in een vijzel tot pasta gestampt, en gebruikt in soepen en curry’s. Als de laoswortel ouder wordt, wordt hij taaier en lastiger te verwerken. Bestaat ook gedroogd, al heeft die een iets minder intense smaak.
  • Limoenblad: zie kaffir lime.
  • Lotusstengel en -wortel: Steel van de lotus, die onder water groeit. De stengels kunnen tot wel 2 meter lang worden. Als je ze doorsnijdt, verschijnt een bloemachtig patroontje. Ze zijn wit, crunchy en mildzoet van smaak. Je ziet ze rauw in salades, maar ook in roerbakgerechten.
  • Luffa (vleugelkomkommer): Vrucht uit de komkommerfamilie. Ze zijn groen en langwerpig, met ribbels die in de lengte over de vrucht lopen (als een grote okra). Ze kunnen tot wel 60 centimeter lang worden. Het witte vruchtvlees lijkt een klein beetje op courgette, maar dan zachter/sponziger. Ze worden gebruikt om te bakken, stomen of koken. Je eet ze liefst onrijp, als ze lichtgroen en zoetig van smaak zijn. Oudere vruchten zijn niet lekker, want die smaken bitter.
  • Lychee: Vrucht met sappig, bloemig wit vruchtvlees.

M

  • Mango: Rijpe mango wordt vaak als handfruit of dessert gegeten, bijvoorbeeld met kokosmelk en kleefrijst. Onrijpe mango’s worden gebruikt in hartige gerechten en salades (zie: groene mango).
  • Mangosteen: Kleine ronde vrucht met een donkerpaarse, dikke (en oneetbare) schil. Het vruchtvlees is wit en romig met een zoet-zure smaak.
  • Mungboon: Peulvrucht. Ze zijn zowel heel als gespleten te koop (allebei gedroogd). De scheuten van de mungboon zijn misschien nog wel bekender dan de boon zelf: taugé. In Thailand worden mungbonen, zoals de meeste peulvruchten, vooral gebruikt in desserts.

N

  • Nangka: zie jackfruit.
  • Noedels: In de Thaise keuken worden verschillende soorten noedels gebruikt: rijstnoedels, eiernoedels en glasnoedels. Rijstnoedels worden gemaakt van rijstebloem en zijn er in verschillende diktes. Ze zijn zowel gedroogd als vers te koop. Er bestaan ook gefermenteerde rijstnoedels. Die worden gemaakt van rijst die voor het fijnmalen een paar dagen gefermenteerd is. Eiernoedels, die vooral in het noorden van Thailand populair zijn, worden gemaakt van tarwebloem en eieren. Glasnoedels zijn transparant. Ze worden gemaakt van mungbonenmeel.

Vietnamese dipsaus

O

  • Oestersaus: Pure oestersaus wordt gemaakt door oesterbouillon tot een donkerbruine stroop in te laten koken. Verder komt er niets aan te pas. In de winkel koop je meestal een saus op basis van suiker, zout en water, verdikt met zetmeel en gearomatiseerd met oester-essence.
  • Okra: Vrucht, die je eet als groente. Okra is langwerpig (tot een centimeter of 12), geribbeld en groen. Oorspronkelijk komt okra uit Ethiopië, maar je ziet het tegenwoordig in veel Aziatische keukens terug. Je kunt het meegaren in curry’s of in een roerbakgerecht. Het kan ook op zichzelf gegeten worden, als bijgerecht. Rauw eten kan in principe ook. Opvallend: bij het garen komt een doorzichtige, plakkerige substantie vrij. Dat kan geen kwaad, maar als je het onsmakelijk vindt, kun je plakjes okra eerst kort blancheren voor je het verder verwerkt. Het helpt ook om ze schoon te vegen in plaats van de wassen en om ze op hoog vuur te bakken. Ze worden ook wel ladies fingers genoemd.

P

  • Paddenstoelen: In de Thaise keuken zie je paddenstoelen in curry’s, roerbakgerechten en als salade. Recept: Thaise paddenstoelensalade met verse kruiden en knapperige enoki.
  • Palmazijn: Het zure, gefermenteerde sap van palmbomen.
  • Palmsuiker: Wordt gemaakt door palmsap in te laten koken tot het kristalliseert. Iets minder zoet dan kristalsuiker, met een karamelachtige bijsmaak. Wordt gebruikt in desserts en om balans aan te brengen in zoutige gerechten.
  • Pandanblad: Lang, groen en geurig blad van een palmachtige boom. Kent in de Aziatische keukens verschillende toepassingen. Pandan wordt gebruikt om rijst en curry’s op smaak te brengen; het lange groene blad wordt dan meestal gekneusd en meegekookt. Het geeft ook kleur en smaak aan zoetigheid (denk bijvoorbeeld aan spekkoek of de felgroene cakes die je bij de toko ziet). Daarnaast wordt het gebruikt om kip of vis in te wikkelen, voor het gestoomd of gegrild wordt. De smaak is zacht en doet in de verte denken aan vanille. Te koop bij de toko (vers of diepgevroren).
  • Phrik haeng: Kleine, gedroogde rode chilipepers.

R

  • Ramboetan: Klein rond vruchtje met een stekelige schil. Het vruchtvlees is bleek en lichtzuur.
  • Rawit: Chilipeper. Klein (2-3 centimeter), fruitig en zeer pittig (met een Scoville-index van 50.000 tot 100.000).
  • Rijst: Koolhydraat numero uno! Er bestaan flinke regionale verschillen tussen de soorten rijst die in Thailand gegeten wordt. In het noorden en noordwesten eet men vooral kleefrijst; in de rest van Thailand wordt voornamelijk langkorrelige rijst gegeten.
  • Rijstnoedels: Heb je in allerlei soort en maten. Lichter van smaak dan bijvoorbeeld eier- of tarwenoedels, en vaak iets meer chewy. Vaak hoef je ze alleen maar even te weken in heet water. Daarna te gebruiken in de soep, in salades of in een roerbakschotel.

S

  • Sjalotten: Thaise sjalotjes zijn kleiner en sterker van smaak dan “gewone” sjalotten, maar in recepten kun je prima sjalotten uit de supermarkt gebruiken. In de Thaise keuken worden sjalotjes vaak rauw geserveerd, zoals in salades, sausjes en dips. Ook wordt olie gearomatiseerd door er sjalotjes in te frituren. Die olie wordt vervolgens gebruikt om gerechten mee op smaak te brengen.
  • Sojasaus: Een gefermenteerde saus van sojabonen. Is ooit ontstaan in China, maar wordt in veel Aziatische keukens gebruikt. In de Thaise keuken wordt sojasaus veel gebruikt om gerechten zouter te maken (net zoals vissaus en oestersaus).
  • Sriracha: Saus op basis van rode peper, knoflook, azijn, zout en suiker. Lekker pittig, kruidig en licht zuur van smaak. Sriracha komt van oorsprong uit Thailand. Het bekendste merk is Huy Fong, te herkennen aan de plastic fles met haan erop en een groene dop.
  • Suiker: In de Thaise keuken vind je drie verschillende soorten suiker: witte kristalsuiker, palmsuiker en rietsuiker. Ook aan hartige gerechten (zoals curry’s en dressings) wordt vaak een schepje suiker toegevoegd, voor die perfecte Thaise smaakbalans.

T

  • Tamarinde: Zure pasta, die uit grote peulen van de tamarindeboom wordt gehaald. Wordt gebruikt als smaakmaker in marinades, sauzen, chutneys, curry’s en snoepjes. Door het zuur is het ook geschikt om stoofvlees mals te maken. Voor gebruik moet je de kleverige tamarinde meestal even weken in heet water. De pulp gooi je weg, het zure water gebruik je dan om mee te koken. In de toko is ook kant-en-klare tamarindepasta te koop.
  • Tapioca parels: Kleine balletjes van cassave-zetmeel. Ze worden meestal gedroogd verkocht. Door de parels te koken worden ze zachter en chewy. Ze smaken dan nog steeds nergens naar, maar het gaat om de structuur. Je ziet ze vooral in desserts.
  • Taugé: Jonge scheuten van de mungboon. Taugé wordt vooral gebruikt in soepen en roerbakgerechten.
  • Taro: Wortelgroente. Heeft van zichzelf niet echt veel smaak, maar zuigt wel andere smaken op. Van de stelen van de taro kun je ook frietjes maken. De blaadjes kunnen verwerkt worden in curry.
  • Thaise (erwt)aubergine: Kleine, ronde, groene aubergientjes. Ze worden ook wel mini-aubergine of erwt-aubergine genoemd. Je kent ze vast wel uit Thaise curries. Ze zijn nogal bitter van smaak en worden niet zo boterzacht als gewone aubergine; als je erop kauwt proef je de bittere smaak en voel je de structuur van de pitjes. Deze aubergines groeien in trosjes.
  • Thaise zoete basilicum: Kruid, ook wel bekend als sweet basil of Thaise/Vietnamese/Indonesische basilicum. De basilicum die in Zuidoost-Azië gebruikt wordt, smaakt sterk naar anijs en heeft ook wel iets muntigs. Heel anders dan de Italiaanse variant. De blaadjes worden op het laatst over gerechten gestrooid om deze een extra smaak-boost te geven, want tijdens het koken blijft er weinig van de smaak over.
  • Tofu: Geweekte, gepureerde sojabonen die samen worden geperst tot een stevige massa. Hoe langer de tofu geperst wordt, hoe steviger hij wordt. Stevige tofu is geschikt om te frituren of bakken. Zachte tofu (bijvoorbeeld zijde-tofu) is beter in een soepje of zachtjes meeverwarmd in een stoofschotel. Er is ook eiertofu: die wordt gemaakt door voor het stremmen geklutste eieren aan de sojamelk toe te voegen.

V

  • Vietnamese koriander: Kruid, ook wel bekend als Vietnamese munt, daun laksa of rau tia to (in Vietnam). Smaakt kruidig, met een vleugje kaneel, citroen en anijs. Het heeft niet het frisse van koriander en smaakt ook wat peperiger. De groen-paarse blaadjes worden meestal rauw verwerkt in salades en andere koude gerechten.
  • Vissaus: Dunne, zoutige bruine saus. Het wordt gemaakt door vis met zout in een houten vat te laten fermenteren. De vloeistof die daarna overblijft, is vissaus. Klinkt niet smakelijk, maar is het zeker wel. Thaise vissaus wordt ook wel nam pla (letterlijk: viswater) genoemd. De Thaise variant is iets scherper en zouter dan de Vietnamese. Er is ook vissaus die uitsluitend wordt gemaakt van de ingewanden van de vis: tai pla. Lees hier alles over vissaus.
  • Vleugelboon: Groene boon, die qua smaak lijkt op sperzieboon en groene asperge. Dit is misschien wel de meest gebruikte boon van Thailand.

W

  • Waterkastanje: Knolletjes van een waterplant die in Zuidoost-Azië voorkomt. Ze zien eruit als kastanjes en hebben wit, crunchy vruchtvlees. Meestal worden ze als knapperig element verwerkt in roerbakgerechten of in de vulling van wontons. Je koopt dit meestal in een blikje. Ze zijn ook te vinden in de diepvries.
  • Waterspinazie: Een semi-waterplant, die je eet als groene groente. De stengels zijn dun en hol, de bladeren lang en pijlvormig. Je kunt het roerbakken, maar ook koken en daarna koud serveren met een dipsaus. Rauw eten in een salade kan ook.

Z

  • Zuurzak: Fruit. Grote groene vrucht (tot wel 6 kilo) met stekels aan de buitenkant. Het vruchtvlees is zacht en zoetzuur van smaak. Je ziet zuurzak vaak in de vorm van een sapje, frisdrank of ijs. Je kunt de vrucht ook gewoon in stukjes snijden, de pitten verwijderen en opeten. Bij de toko vind je, naast de verse zuurzakken, vaak ook zuurzak in de vriezer (als pulp) of in blik. Zuurzak komt van oorsprong uit Midden-Amerika en het Caribisch gebied. Hij wordt ook wel guanabana of soursop genoemd.

Meer weten over de Thaise keuken?

Mis je nog iets in de lijst met Thaise ingrediënten? Laat het me weten in de comments!

 


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *